Naast tradionele huisbenamingen, ambachtsnamen en gedichten dragen de Gentse huisgevels soms merkwaardige deviezen. Vooral in de stadskern tussen Vrijdagmarkt en Ottogracht zijn nog prachtige voorbeelden van didactische gevelliteratuur bewaard gebleven. Ook in andere wijken zijn gelijkaardige opschriften te vinden: Kunstlaan, Lousbergkaai, Sint-Lievenslaan, ... maar die werden hier omwille van de afstand tot de Gentse Kuip niet opgenomen. Zie ook de wandeling Vlaamse Kaai.

     
                           

Botermarkt
Toutes ces façades (...) intelligemment restaurées donneraient à notre cité un aspect d’originalité que bien des villes seraient heureuses de posséder. (Prosper Claeys, 1907)
Een wandeling langs deze “kleinmonumentale kunst” (Lode Hoste) voert ons van het stadhuis naar de Vrijdagmarkt, de Wolfstraat, de Penitentenstraat, de Baudelostraat en de Ottogracht. De nieuwste geveltekst is pas in 2000 aangebracht, de oudste dateert uit de vijftiende eeuw en stond op de gevel van het stadhuis als voorbeeld van goed bestuur en rechtspraak. Naast symbolische sculpturen en schilderijen konden specifieke stadsprivileges immers voor een breed publiek uitgedrukt worden in een kernachtige boodschap, zoals het wijd verspreide raadsgedicht, “Hoemen ene stat regeren sal” (14de eeuw), toegeschreven aan Jan van Boendale. In Gent beklemtoonde deze tekst op de gevel van het stadhuis ook uitdrukkelijk de macht van de schepenen. De verhouding tussen het Gentse stadsbestuur en de Franse vorst was sinds de opkomst van de Vlaamse steden in de twaalfde-dertiende eeuw al vele malen vertroebeld. Zo poogde de Franse koning de zogenaamde XXXIX (= de schepenbank) met een stortvloed van verordeningen onder controle te krijgen (en uiteindelijk zelfs af te zetten). Van Gentse zijde waren er talrijke klachten van burgers bij het Parlement van Parijs én was er het publiek maken van het Gentse recht in 1297. Deze gespannen verhouding duurde ook in de 15de eeuw nog voort.

     
 

Stadhuis (Botermarkt 1)
Het Gentse raadsgedicht is op de stadhuisgevel geplaatst als schandstraf voor Willem vander Scaghe. Als vertegenwoordiger van de Vlaamse aartshertogen bij de herverkiezing van de Gentse schepenen in 1477, overtrad hij zijn ambtsprivilegies. Hij werd daarvoor door aartshertog Maximiliaan van Oostenrijk zelf op 15 juli 1480 veroordeeld tot vijftig jaar verbanning uit Vlaanderen. Van de Brugse souvereinbaljuw kreeg hij echter onrechtmatig gratie (de souvereinbaljuw had toezicht op de rechtspraak in het Vlaamse gebied, maar kon geen nieuwe vonnissen vellen zonder de Gentse schepenbank te raadplegen). Het stadsbestuur besloot daarop hem niet zoals gebruikelijk te onthoofden, maar hem voor eeuwig te schande te maken. De afbeelding van zijn afgehakt hoofd werd (op kosten van de veroordeelde vervaardigd en levensecht beschilderd) tentoongesteld boven het venster van de vierschaar (= rechtbank). Op de muren van de schepenkamers (d.i. van de schepenen “van de keure en van de gedele”) werd bovendien een tekst aangebracht die gericht was tot de edellieden die de Gentse schepenbank moesten benoemen. Dat gedicht moest hen de juiste houding bijbrengen om in alle discretie eervolle lieden te kiezen en de stedelijke wetgeving te respecteren, zodat de stadsprivilegies gevrijwaard konden blijven van buitenstedelijke inmenging en belangen. Deze didactische tekst uit de vijftiende eeuw was het allereerste openbare gevelopschrift in Gent. Voor het buiten op de stadhuismuren werd aangebracht, was het al te lezen binnen op de muren van de collatiezolder (=gildenzaal). Het verdween later ook van de gevel, maar is bewaard gebleven in het Memorieboek der stad Ghent van ’t jaer 1301 tot 1737.

Notabele personen van hoogher namen
Gheauctorizeirt om tvermaken van der wet
Commiteirt discretelic naer tbetamen
Persoonen van eeren huyt elck let
Om tprevilegie suuer ende net
Tonderhoudene, en sprinchens eerlichede
Overdijnct alle saken hoe ende bet
Hem alle dijnc voucht in eendrachtichede
Speghelt hu hier in so heb dy vrede
Anno M CCCC ende LXXX

Notabelen van groot belang,
Aangesteld om wetten uit te vaardigen,
Vergadert discreet zoals het personen
Van eer betaamt en waak erover
Dat het privilege en de eer van de prins
Zuiver bewaard blijven.
Overdenk hoe alle zaken best
Eendrachtig uitgevoerd worden.
Voor uw eigen rust, spiegelt u aan deze regel
Anno veertienhonderd en tachtig.

     
 

Laurent Instituut (Onderstraat 10)
Geen tekst, maar wel talrijke didactische symbolen staan op de gevel van het Laurent Instituut (genoemd naar hoogleraar-schrijver François Laurent), op de hoek met de Werregarensteeg, vroeger het Blauw Meyskenshuysstraetjen genoemd. In de late middeleeuwen was de Onderstraat een belangrijke verbindingsstraat met hotels, neringhuizen en middeleeuwse “stenen”. Naast het bekende Ryhovesteen bevonden er zich nog twee gotische stenen, het Hof van Schardau (1540, ook bekend als het klooster van de Rijke Klaren) en het Wulfaert-Vilainsteen. Dit laatste werd in 1623 opgekocht en door het stadsbestuur uitgebouwd tot meisjesweeshuis (de Blauwemeiskensschool), werd in 1887 een stadsschool en in 1901 door architect Charles Van Rysselberghe grotendeels vervangen en aangepast in renaissancestijl. Onder de dakkapellen met trapgevel en de vierkante toren met naaldspits staan op de borstweringen in basreliëf putti (=engeltjes) met objecten die het didactisch ideaal verbeelden: Vooruitgang, Verlichting, Orde, Tucht, Opvoeding, Onderwijs, Beschaving, Voorspoed, Moed, Vlijt. Tussenin vertoont de gevel nog knapen en symbolen in verband met literatuur, architectuur, kennis, sport, wiskunde, astronomie en techniek.

     
 

Keizershof (Vrijdagmarkt 47)
Woning van de Gentse geschiedschrijver en factor (= dichter-voorzitter) van de rederijkerskamer Maria T’Heeren, Marcus van Vaernewyck (1518-1569). Zijn bekendste werken zijn de Historie van Belgis (=Vlaanderen) en zijn ooggetuigenverslag van de beeldenstorm in Van de beroerlicke tijden in die Nederlanden en voornamelijk in Ghendt 1566-1568. Op de topgevel staat sinds 1880 zijn borstbeeld, daaronder zijn lijfspreuk “Laet vaeren nydt”, gesteund door de staart van twee dolfijnen (symbool van aanzien en strijdvaardigheid). In de 17de eeuw stond het huis bekend als De bonte mantele.

     
 

Baudelostraat
Begin twintigste eeuw werd de arbeiderswijk achter de Vrijdagmarkt gesaneerd. Vooral architect Jacob Gustaaf Semeij (1864-1935) drukte zijn stempel op de huizen die toen langs de nieuw aangelegde Baudelostraat gebouwd werden. Hij kocht er talrijke loten op om een homogene gevelrij te tekenen die een blikvanger vormde vanop de Vrijdagmarkt. De burgershuizen werden voorzien van boeiende details en moralistische spreuken. Minder gunstig gelegen percelen herbergden huizen van vermaak met carrouselsalons en cinematografen.
De gevelteksten zijn veelal kort en van educatieve, soms moraliserende aard. Ze komen dikwijls voor in combinatie met huisnaam en symbolen. De teksten staan gebeiteld in zandstenen medaillons of boven deur- en vensterbogen en waren bedoeld voor het gewone volk (dat dikwijls niet kon lezen!). Soms waren ze ook ter verfraaiing van de burgershuizen aangebracht en wezen de deviezen de burger in krachtige bewoordingen en een vaak beeldende stijl op een vlijtig en deugdzaam leven.

     
 

Baudelostraat 7
De typerende gevelschilden zijn op deze gevelrij overal nog aanwezig, maar de didactische teksten werden dikwijls weggerestaureerd of zijn door erosie onleesbaar geworden. Op nummer 7 bleef de tekst bewaard:

“Indien gij looft
met bloem of groen
dat is het voorspel
van een zoen”

     
 

Baudelostraat 11
Het “Huis Adam en Eva” heeft een met hout bewerkte voorgevel en een wit terracottareliëf boven de voordeur. De voorstelling toont Adam en Eva bij de boom der verleiding, Eva overhandigt Adam een appel. De tekst boven het raam luidt:

“Als Adam dolf; Eva span
waar vond men toen den edelman”
Het woord ‘span’ is geen spelfout, maar de verleden tijd van spennen, kwaad beramen. De retorische vraag betekent dan: hoe kan er een voortreffelijk mens ontstaan uit Adam die [de zondeval of de menselijke fouten] begraaft en Eva die het [kwaad] beraamt?

     
 

Baudelostraat 13
Bij de afbeelding van een brandende kaars staat een raadseltekst, die de burger aanspoort om zich ten dienste van zijn medemens te stellen:

“Ik verteer mij zelve
om anderen te verlichten”

     
 

Baudelostraat 17 & 19
Het “Huis de Druivelaar” op nummer 17 heeft een gevelreliëf met druiventrossen en bijpassende tekst:

“Het beste graen leijt
midden de schoof
de rijpste druif
schuult in ’t dichtste loof”
De moraal is duidelijk: wat van waarde is ligt niet zomaar voor het grijpen, men moet er naar zoeken.

Op nummer 19 bevindt zich het “Huis Baudeloo” met een reliëf van de Baudelokapel (zie nabijgelegen Ottogracht 2) en monniken in het scriptorium en bij de drukpers, ook de gevelsteunen zijn gesculpteerd als monnikshoofden.

     
 

Wolfstraat 1 tot 13
Het “Huis de Wolf” op nummer 3 en het “Huis de Steur” op nummer 13 dragen enkel een reliëf, geen devies. Op de topgevel van nummer 9 waar Romulus en Remus gezoogd worden door de wolvin, is het devies uitgewist. De andere huizen dragen allemaal moraliserende en soms heel bekende spreuken in de gevelschilden:

nr. 1:
“Elk[e] vogel zingt zoo hij is gebekt”

nr. 5:
“ ’t Naaikussen is der vrouwe lessenaar”
(Moraal: vlijtig thuis werken is de beste leerschool voor vrouwen.)

nr. 7:
“Leg water honderd jaar
op vaten!
’t wordt toch nooit geen wijn.
Geen onrecht dat ooit recht zal zijn
hoe oud of ’t ook [van] datum waar”

nr. 11:
“Toon wat gij kunt doen
men zal u zeggen wie gij zijt”

     
 

Wolfstraat 12
Het huis genaamd “De Passer” (1906) bevindt zich in de hoek van de Wolfstraat op nummer 12 en is het meest indrukwekkende van de straat. Dit eclectische woonhuis van architect Semeij zelf bezit een fijne detaillering die onderstreept is met terracottabeeldhouwwerk (de zeven kunsten) en een belerende spreuk onder de erker:

“Wie taal en kunsten mint mint volk en vaderland”

     
 

Penitentenstraat 5 tot 11
Ook deze huizen werden door Semeij ontworpen en dragen bijna allemaal een devies:

nr. 5:
“Er bestaat maar één geluk, de plicht
Eén troost, de arbeid
Eén genot, het schoone”

nr. 7:
“Wie het leven nutteloos doorleeft
leidt een plantenleven

” nr. 9:
“Strijd schenkt leven”

nr. 11:
“Wie zorgt op tijd
toont wijs beleid”

     
 

Café Trefpunt (Bij Sint-Jacobs 18)
Op de gevel van Café Trefpunt is in neontekst een versregel van de Nederlandse experimentele dichter-schilder Lucebert (1924-1994) aangebracht, die geldt als de kern van zijn kunstopvatting:

“Alles van waarde is weerloos”

     
 

Baudelokapel & voormalige stadsbibliotheek (Ottogracht 2)
Aan de in 1602 begonnen Baudelokapel en later toegevoegde abdijgebouwen, werd na de Franse periode een openbare functie toegekend. Architect Lodewijk Roelandt bouwde in 1820 aan de westkant een neoclassicistisch portiek met koepel als monumentale toegang tot de stedelijke bibliotheek (ondergebracht in de kapel). Adolphe Pauli breidde de bibliotheek verder uit met een lange vleugel langsheen de Ottogracht (voltooid in 1881).
In 2000 organiseerde Jan Hoet (toen concervator van het S.M.A.K.) een kunstproject met 56 objecten, verspreid over de openbare ruimte van de stad Gent. De Amerikaan Joseph Kosuth (°1945) was een van de gastkunstenaars voor dat project “Over the Edges”. Hij wordt de grootvader van de conceptuele kunst genoemd, waarmee bedoeld wordt dat de uitbeelding ondergeschikt is aan het idee, het concept. Kosuth onderzocht al sinds 1968 de wisselwerking tussen kunst en context, tussen het kunstvoorwerp en de mensen in de straat. Voor “Over the Edges” koos hij een citaat uit zijn lievelingsboek Einbahnstraße (1928) van de Duits-Joodse cultuurfilosoof Walter Benjamin (1892-1940). In Gent werd de Nederlandse vertaling gebruikt (Eenrichtingstraat, 1994):

“Het doorsneewerk van de hedendaagse geleerde moet als een catalogus kunnen worden gelezen.”
Eenrichtingstraat is een objectiverend topografisch (= plaatsbeschrijvend) logboek van de stad Berlijn, waarin de “dingen met zichzelf alleen zijn” en waarin de burgerlijke ideologie wordt ontmaskerd. De tekst is in neonletters aangebracht over de volledige gevellengte, onder de dakrand van de voormalige stadsbibliotheek. Net zoals elke bibliotheekbezoeker noteerde Kosuth dus woorden van zijn lievelingsauteur, om na te denken over leven en kunst. Het kunstwerk kreeg de titel “Het doorsneewerk (voor K.)”.