FRAGMENTEN
Kunst en Vooruitgang
Auteur: Cnudde, René
 

De auteur biedt via zijn hoofdpersoon Paul op een liberaal bal een inkijk in het veranderende verenigingsleven en de zeden van de tijd.

Dien Zondag mocht het bal van Kunst en “Vooruitgang”, – het eerste van het jaar, – zich in een ongemeen sukses verheugen. Paul, na op zijn kamer honderd maal zijn karakteristieken, althans voor dien avond, te hebben vastgesteld en genuanceerd, betrad de mooi versierde zaal, tot alle verwachtingen en teleurstellingen bereid.
Kunst en Vooruitgang was een dier Gentsche vereenigingen, door idealisten in het leven geroepen en door het 19de eeuwsche liberalisme tot bloei gebracht, maar die, in feite, met kunst en vooruitgang, niets meer te maken had.
De vergeelde portretten der stichters hingen nu in zwarte lijsten aan de muren, met datum van geboorte en datum van overlijden, en de vreedzame leden kaarters, biljartspelers en bolders, kwamen in gemeenschap hun pijp rooken en hun glas bier ledigen, ofwel bespraken zij, in eindelooze vergaderingen, het beleid hunner dierbare vereeniging, één gloeilamp aan en de andere ten dienste van de inkrimping der kosten.
Zware tijden, inderdaad. De oorlog had de eenen verrijkt en de anderen verarmd, de karakters werden moeilijker met den dag. Afgunst en verdachtmaking hadden zich genesteld in het hart dezer brave luiden, soms vielen aleens harde woorden, met het spijtig gevolg, dat er op sommige avonden geen kaarters genoeg waren, en de aanwezigen, over het terugwinnen hunner verliezen, een kruisken konden maken.
Waar moest dit alles heen? De vereenigingen, die gezonde kernen der maatschappij, kwijnden weg. Bij groote gelegenheden werd nog wel eens een geuzenlied of een “Blauwe Vlag” gezongen, maar over een dergelijke uitspatting werd maanden nadien nog gesproken, als over een historische gebeurtenis.
De menschen werden beheerscht door een middelpuntvliedende kracht. De voorkeur ging naar het anonieme vermaak, de bioskoop won het van de zorgvuldig voorbereide toneelavonden, de groote dancings van de intieme danspartijtjes.
Nu echter waanden de ouderen van jaren zich terug in den goeden ouden tijd. Tot het verleden behoorden de met goud en juweelen beladen dames, maar in de feestelijk verlichte zalen en gangen kleurlachte een wemeling van frissche kleedjes en blijde gezichten; lampjes gloeiden rood, groen en oranje van de muren af, op de bloote schouders en armen, papieren wimpels kruisten over de hoofden, terwijl het jazz-orkest galmde van op verhoog, half weggeborgen onder buitensporige versiering.
Hoe paleisachtig groot is een danszaal, voor wie jong is en naar het leven gedrongen wordt! De meisjes zijn bekoorlijke prinsessen, ongenaakbaar in een tooverachtig waas van licht en parfum, verkavelend iederen jeugdigen durf, met schalsch gelach en wondere sluierblikken. In de streeling der muziek bewegen, warm en bedwelmend, hun begeerlijke lijfsvormen, slanke en mollige, krachtig gelijnde en vastgevleesde, of weeke jufjes met zuigmondjes en fletse huid, wiebelende natuurlijfjes met strak omsloten leest, wellustige lippen en ondeugende oogen, statige kind-vrouwen, koel-uitdagende lenige zuidertypen, één bonte warreling, zich verplaatsend in den feestglans, waar rookerig kleurstof walmend boven drijft. (…)

Vind dit boek in de bibliotheek Gent


Uit:
René Cnudde: In de schaduw (1939?), p. 19-22