U bent hier: FRAGMENTEN
Klik hier om terug te keren naar de homepagina
OVER LITERAIR GENT HELP UITGEBREID ZOEKEN CONTACT
homepaginacontactpagina
OVERZICHTEN
LEXICON
FRAGMENTEN
zoeken op auteurs
zoeken op thema
WANDELINGEN
INTERNE LINKS
 Auteurs
Ladričre, René
 

FRAGMENTEN
Na 30 jaren terug in Gent (1883-1913)
Auteur: Ladričre, René
 
De auteur schetst na een dertigjarig verblijf in de Verenigde Staten de metamorfose die zijn geboortestad Gent onderging in de periode 1883-1913.

Gust de Baard is weergekomen
Uit den Staat van Missouri;
In de statie toegekomen,
Spreekt hij tot zijn vrouwken: “Zie
Na die dertig lange jaren
Van afwezigheid uit Gent,
Zal ’t ons toch niet vele varen,
Want de stad is ons bekend.”

Spoedig pak en zak genomen,
Stappen beiden uit den trein;
Gust kijkt rond en zegt “Verdomme,
Zouden wij in Gent wel zijn?
Die hangars en bijgebouwen
En dat parkje bovendien
Hebben, spreekt hij tot zijn vrouwe,
Wij hier vroeger niet gezien.”

Met de parapluie omhooge,
Zooals ’t afgesproken was,
Hebben zij mij dra in de oogen
Binst dat ‘k mijn gazette las.
En geduldig stond te wachten
Aan de lijn van nummer een,
En we omhelsden en we lachten
Onder de oogen van elkeen.

Eens den welkomstgroet gegeven
Stapten wij ’t station nu uit,
Om in stad ons te begeven;
En we trokken blij vooruit.
Maar wat hadden ze in de gate,
Beiden keken zoo komiek,
Naar de schoone Vlaanderstrate
En de trams met electriek.

Aan de plaats Laurent gekomen,
Blijven ze alle twee weer staan,
Draaien, keeren, kijken omme,
Weten niet langs waar te gaan.
Gust zoekt naar den watermolen,
Mie heeft Bauwens in het zicht,
“ ’t Is,” zoo zeggen ze, “om te dolen,
Wat heeft men hier toch verricht?”

“Menschen lief, wat is ’t hier rijke,
–Spreken Gust en zijne vrouw, –
Wij en weten niet waar kijken
Naar zoo menig schoon gebouw;
Hier een standbeeld, daar theater,
Tot een nieuwen toren toe;
Een boulvarken boven ’t water;
Wel waar gaat dat hier naartoe?”

Aan het Libraal huis gezeten,
Kijken zij beteuterd rond,
Want het is al afgesmeten
Wat er op de Koornmarkt stond.
Wat hun ’t meest in ’t oog komt vallen
Is het nieuwe posthotel;
Waar is ’t Pakhuis met zijn stallen
En zijn gouden leeuw toch wel?

En wat schoone kemelbrugge
Waar eens was de Sterrestraat,
En over wier hoogen rugge
De electrieke tram ook gaat.
Sint-Niklaas, de antieke kerke,
Staat ook heel en al ontbloot.
“Wel” zegt Gust, “wat reuzenwerken,
Heel de Koornmarkt is vergroot.”

Nu wil ‘ hun dat leeuwken toonen,
En naar ’t park gaan wij terstond;
’t Moest ons moeite toch wel loonen,
Daar men ’t al veranderd vond.
De glacis zijn ook verdwenen,
Vroeger was ’t zoo schoon hier niet,
Prachtpaleizen zijn verschenen,
Maar we vonden ’t leeuwken niet.

Verder zijn wij nog gaan kijken
Naar de Muide- en Brugsche Poort,
En nog naar veel andre wijken,
Naar de Dam- en Keizerpoort.
En op onze wandelingen,
Langs ’t Kasteel en langs ’t Meerhem,
Overal verbeteringen,
Ja zelfs ook op Akkergem,

Instituten voor de zieken,
Magazijnen zonder tal,
Ateliers, nieuwe fabrieken,
Kunstgebouwen overal.
“Wel” zegt Gust de baard “wel menschen,
Heel de stad is omgekeerd,
Werd ik niet geleid naar wenschen,
‘k Liep verloren, ‘k liep verkeerd.”

Wat een tal van werkmanshuizen,
Openluchtig en gezond,
Nieuwe vaarten, nieuwe sluizen,
Boulevards alom in ’t rond.
En daarbij, elk heeft dat geerne,
Van den ouden Baudloohof
Kwam een openbare square,
Juust als van den Beestenhof.

“Wat verkeer van buurtspoorwegen
Heeft ook Gent, “spreekt Gust met klem,
“Kwamen wij de trams niet tegen:
Drongen, Zele, Somergem?”
–“Maar,” zoo sprak ik tot de vrinden,
“Spijtig kunt ge niet meer zien,
Wat ge in Gent nooit meer zult vinden:
De expositie van dertien.”

– “Gent, o mijn geboortestede,
Hoe ge toch verbeterd zijt,
Wat verandring brengt gij mede
Op die dertig jaren tijd!
Binst ik in de nieuwe wereld
Jaren lang heb doorgebracht,
Heb ik u, zoo fraai bepereld,
Nooit verbeeld in mijn gedacht.”

“Schoone stad, mij uitverkoren”
Spreekt Gust verder “wat is dat?
‘k Loop waarachtig hier verloren
In mijne geboortestad.
‘k Was in Springfield wel tevreden,
‘k Had er welstand veel en meer,
Maar o Gent, geloof op heden,
Wij verlaten u niet meer.”

 

Vind dit boek in de bibliotheek Gent


Uit:
René Ladričre: Rare bloemen (1928, 3de dr.), p. 59-61

Laatst gewijzigd op: 15/12/2011
 
 
Disclaimer